Plan Boom Bomen Voor Boeren

Bomen planten

Bomen planten

Bomen hebben het zwaar. Maanden van droogte is ze niet in de koude kleren gaan zitten. Ze kunnen dus wel wat hulp gebruiken. Bomen zorgen samen voor een klein microklimaat. Met hoe meer ze zijn, hoe beter ze de omgeving ’s zomers bijvoorbeeld koel kunnen houden en ruimte kunnen bieden aan andere planten en bodemleven. Daarnaast zijn bomen een fijn thuis voor vogels, insecten en andere diersoorten.

Waarom bomen planten?

Een boom is veel meer dan alleen een stam met bladeren. Bomen slaan CO₂ op, geven zuurstof af en houden met hun bladeren en takken warmte tegen. In de zomer zorgen ze voor schaduw en verdampen ze water, waardoor de omgeving koeler wordt. Ook houden hun wortels water vast en helpen ze mee om de bodem gezond en stevig te houden.

Een boom is bovendien een complete woonwijk voor de natuur. In de stam, schors, bladeren en wortels leven allerlei insecten, schimmels en andere kleine organismen. Vogels gebruiken bomen om te nestelen en voedsel te zoeken, terwijl vleermuizen, eekhoorns en andere dieren de bomen gebruiken als schuil- en verblijfplaats.
Hoe ouder een boom wordt, hoe meer leven hij vaak aantrekt.

Hoe plant je een boom?

De plek waar je een boom plant, is belangrijk. Niet iedere boomsoort voelt zich overal prettig. Kijk daarom eerst naar de grondsoort, de hoeveelheid zon en ruimte die beschikbaar is. Houd ook rekening met de uiteindelijke grootte van de boom; een kleine boomplant kan uiteindelijk een flinke kroon en een uitgebreid wortelstelsel krijgen.

Graaf een plantgat dat ongeveer twee keer zo breed is als de wortelkluit of het wortelstelsel. Het gat hoeft niet veel dieper te zijn dan de wortels zelf. De bovenkant van de wortelkluit moet uiteindelijk gelijk komen met het maaiveld. Plant een boom liever iets te hoog dan te diep.

Maak de wortels voorzichtig los als deze erg dicht op elkaar zitten en verdeel ze zo natuurlijk mogelijk in het plantgat. Vul het gat daarna aan met de grond die eruit kwam. Stamp de grond niet hard aan, maar druk hem licht aan zodat de wortels goed contact maken met de bodem. Geef de jonge boom direct na het planten flink water.

Bij een jonge boom kan het nodig zijn om een boompaal te plaatsen. Deze geeft de boom steun wanneer het hard waait en voorkomt dat de wortels telkens worden losgetrokken. Bind de boom met een flexibel materiaal aan de paal, zodat de stam nog een beetje kan bewegen. Juist die beweging helpt de boom om een stevige stam te ontwikkelen.

Wanneer kun je bomen planten?

De beste periode om bomen met blote wortel te planten is meestal de late herfst en winter, wanneer de bomen in rust zijn en het niet vriest. Het is belangrijk dat de bodem niet bevroren of extreem droog.

Een boom planten is niet klaar zodra hij in de grond staat. Vooral in de eerste jaren heeft een jonge boom aandacht nodig. Bij droog weer kan extra water nodig zijn, omdat de wortels nog niet diep genoeg in de bodem zitten om zelf voldoende water te vinden. Een dikke laag organisch materiaal, zoals bladeren of houtsnippers, rond de boom kan helpen om de bodem vochtig te houden. Zorg er wel voor dat dit materiaal niet direct tegen de stam ligt.

Welke bomen zijn geschikt?

Kies bij voorkeur bomen die van nature in de omgeving voorkomen en passen bij de bodem en omstandigheden. In Nederland kun je bijvoorbeeld denken aan zomer- en wintereik, berk, beuk, haagbeuk, linde, wilg, els en verschillende soorten esdoorn. Ook fruitbomen kunnen een mooie bijdrage leveren aan de biodiversiteit.

Een mix van verschillende inheemse soorten is vaak waardevoller voor de natuur dan een grote groep bomen van één soort. Zo ontstaat meer variatie in bloei, vruchten, bladeren en groeivormen en zijn ze minder kwetsbaar voor plagen.

Wat doen bomen voor de biodiversiteit?

Bomen vormen een belangrijke schakel in het ecosysteem. Hun bloesems leveren nectar en stuifmeel voor insecten, terwijl vruchten, zaden en bladeren voedsel bieden aan vogels, insecten en zoogdieren. In en rond een boom leven daarnaast talloze kleine organismen die je misschien niet direct ziet.

Een oude boom is helemaal bijzonder. Scheuren en gaten in de stam kunnen nest- en schuilplekken vormen voor vogels, vleermuizen en insecten. Dood hout en afgevallen bladeren worden weer voedsel voor schimmels, bacteriën en kleine bodemdieren. Zo blijft de kringloop van voedingsstoffen in stand.

Ook onder de grond gebeurt van alles. Boomwortels werken samen met schimmels in de bodem. Deze schimmels helpen de boom bij het opnemen van water en voedingsstoffen en krijgen daar suikers voor terug. Een gezonde boom draagt daardoor niet alleen boven de grond, maar ook onder de grond bij aan een levende bodem.

De omgeving bepaalt natuurlijk welke dieren je uiteindelijk zult aantreffen. Een bomenrij langs een sloot kan bijvoorbeeld beschutting bieden aan vogels en insecten, terwijl een groep bomen aan de rand van een weiland een belangrijke verbinding kan vormen tussen verschillende leefgebieden. Plant je bomen in een bestaande groene omgeving, dan kunnen dieren deze nieuwe plek vaak gemakkelijk ontdekken.

En na het planten?

Jonge boom heeft de eerste jaren vooral tijd en ruimte nodig om te groeien. Controleer regelmatig of de boompaal en het bindmateriaal nog goed zitten en verwijder het bindmateriaal zodra de boom stevig genoeg staat. Houd de directe omgeving vrij van concurrerende begroeiing als de jonge boom daardoor onvoldoende water of licht krijgt.

Met een beetje aandacht groeit een klein boompje uit tot een boom die tientallen onderdeel kan zijn van het landschap. Wat vandaag begint als een klein plantje, kan later schaduw bieden aan mensen, voedsel aan dieren en een leefplek aan talloze andere organismen.

Kortom: met het planten van een boom geef je niet alleen een boom een plek, maar leg je de basis voor een hele leefgemeenschap.